DE FLITSEN

 

 

Tweede Uiteenzetting van het Nawoord

 

Het vers

فَاُولٰۤئِكَ مَعَ الَّذِينَ اَنْعَمَ اللّٰهُ عَلَيْهِمْ مِنَ النَّبِيِّينَ وَالصِّدِّيقِينَ وَالشُّهَدَاۤءِ وَالصَّالِحِينَ وَحَسُنَ اُولٰۤئِكَ رَفِيقًا

bevestigt de aanwijzing met betrekking tot de ghayb aan het einde van soera al-Fath. Tevens verklaart het wie bedoeld worden met de mensen van het rechte pad in soera al-Fātiha, namelijk in het versdeel

صِرَاطَ الَّذِينَ اَنْعَمْتَ عَلَيْهِمْ,

en toont het op de uiterst lange weg van de eeuwigheid een uiterst lichtvolle, vertrouwde, talrijke en aantrekkelijke karavaan van gezellen. Op wonderbaarlijke wijze spoort het de gelovigen en de bezitters van bewustzijn krachtig aan zich bij die karavaan aan te sluiten en haar te vergezellen.

 

Evenals het laatste vers van soera al-Fath verwijst dit vers — volgens wat in de wetenschap van de balāgha wordt aangeduid als maʿārīd al-kalām en mustatbaʿāt at-tarākīb — niet in zijn directe betekenis, maar in zijn aanwijzende en symbolische betekenissen naar de vier rechtgeleide kaliefen en naar de vijfde kalief, Hasan (r.a.), en bericht het in meerdere opzichten over zaken van de ghayb.

 

Dit is als volgt:

 

Zoals dit vers in zijn duidelijke betekenis verwijst naar de karavaan van de profeten, de groep van de siddīqīn, de gemeenschap van de shuhedā, de categorieën van de rechtschapenen en de klassen van de tābiʿīn en de weldoeners onder de mensheid — die begunstigd zijn met de verheven goddelijke gunsten en behoren tot de mensen van het rechte pad — zo geeft het ook binnen de islamitische wereld aan dat deze groepen hun meest volmaakte en voortreffelijke vertegenwoordigers hebben.

 

Zo verwijst het, bij wijze van een berichtgeving over de ghayb, naar de groep van erfgenamen van de profeten, die voortkomt uit het geheim van de erfopvolging van het profeetschap van de Profeet van het einde der tijden; naar de karavaan van de siddīqīn, die voortkomt uit de bron van waarachtigheid van de Siddīq-i Akbar; naar de karavaan van de shuhedā, die verbonden is met de rang van martelaarschap van de drie kaliefen; naar de gemeenschap van de rechtschapenen, verbonden met het geheim van het vers:

وَالَّذِينَ اٰمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ

en naar de klassen van de tābiʿīn, die handelen overeenkomstig het geheim van het vers:

قُلْ اِنْ كُنْتُمْ تُحِبُّونَ اللّٰهَ فَاتَّبِعُونِى يُحْبِبْكُمُ اللّٰهُ

en die de sahaba en de rechtgeleide kaliefen volgen en vergezellen.

 

Met het woord

وَالصِّدِّيقِينَ

verwijst zij bovendien, in haar aanwijzende betekenis, naar Abu Bakr as-Siddīq (r.a.), die na de Boodschapper van Allah (saw) zijn plaats zou innemen, zijn kalief zou zijn, onder de oemma bekend zou staan met de titel “Siddīq”, en de leider zou worden van de karavaan van de siddīqīn.